Oprichting van ASC'62

Voetbalclubs, een bindende factor in buurt, dorp of stad. De een begon rond een boom op een grasveld, een andere vereniging heeft haar roots liggen op een vuilnisbelt. Weer andere ploegen begonnen ooit nadat buurtbewoners horendol van de dagelijkse kinkeling van de ramen werden en zelf maar op zoek gingen naar weiland. Historische verhalen over keiharde verdedigers, sluipschutters in de spits en helden van weleer. Anekdotes over koude douches, lijm in de schoenen en spelers die letterlijk met pek en veren op huis aankonden. Het geleuter met thee in de hand in de rust, roerijzers die in de loop der jaren veranderden van oud-Hollandse lepeltjes in moderne, plastieken staafjes.

Ook ASC’62 heeft zo’n historie waar een boek over te schrijven valt. Soms zitten de verhalen diep weggestopt in een stoffig archief en dan weer liggen ze opgeslagen in gedachten, klaar om nog een keer verteld te worden. Jan Stokvis strijkt nog eens met zijn rechterhand door zijn grijze haren, aan zijn linkerkant zit Evert Jan Goos (71). Graven in de harde schijf, die zeventig jaar aan herinneringen moet zien op te slaan. “De oprichting van ASC’62 ligt ten grondslag een mengelmoes van factoren”, begint Stokvis (68) het gezamenlijke verhaal. “Kerk, politie, jeugd, onderwijs; bij de start van deze vereniging wisten alle partijen elkaar te vinden. Hoewel daar een hoop debatten, overleg en vergaderingen aan vooraf gingen.”

Ooit is al eens in Dalfsen geprobeerd een zaterdagvereniging van de grond te krijgen, zonder succes. De animo om gezamenlijk tegen het leder te schoppen, op gezette tijden en zonder vrijblijvendheid, blijkt in de naoorlogse jaren niet aanwezig te zijn. Het gras op de veldjes in de wijk is immers even groen, aan gezelligheid en fanatisme ontbreekt het daar evenmin. Dat de buren niet altijd even tevreden zijn met geheister naast de woningen kan gerust gezien worden als een van de redenen om het onderzoek naar zaterdagvoetbal grootser aan te pakken. De kerken en de politie trekken vervolgens samen op, waarna de eerste contouren van het voetbalbolwerk ASC’62 zichtbaar worden.

Inmiddels is ook Jan Koolhaas op het toneel verschenen. De geluiden uit de Dalfser samenleving – waar de politie de jeugd van de straat tracht te houden en kerken een bindende factor zijn – worden door een van de uiteindelijke oprichters feilloos op waarde geschat. De ingenieur werkzaam bij Cultuur Technische Dienst in Zwolle klopt aan bij Goos en Stokvis, beide jonge knapen uit Oudleusen. “Koolhaas wilde graag jeugd vanuit het dorp zelf, uit de buitenwijken en de buurtschappen”, weet Goos te herinneren. “Zo werd de dorpse binding het grootst. Ook nodigde hij de wildvoetballers uit. En daar hadden wij daar weer ervaring mee.”

Stokvis knikt, neemt een hap van zijn koek, roert door zijn koffie en vult zijn ‘lotgenoot’ aan. “In Oudleusen voetbalden we met het team ‘Onwies 3’. Geen idee hoe we aan die naam kwamen, maar we speelden een aardig partijtje en best georganiseerd. Een veld hadden we niet, we voetbalden achter bij Bremmer op een heideveldje. Met de broertjes Kloosterman, Jaap Fokkert, Johan Dunnewind balden we uren achtereen. Totdat plots Koolhaas aan de kant van het veld stond. Of we geen oren hadden in zaterdagmiddagvoetbal.”

Dat hebben de jongeren uit Oudleusen wel, en om enige binding met de Dalfser jongeren op te bouwen worden Goos en Stokvis – naast politieagent Den Oude, militair Duenk, timmerman Middelveld, kerkafgevaardigden Mol en Baas en Koolhaas – als ‘ervaringsdeskundigen’ in het oprichtingsbestuur opgenomen. Maar niet voor Koolhaas – de man loopt als een rode draad door de beginjaren van ASC’62 – zich eerst van de nodige informatie laat voorzien. Vanuit Zwolle wordt Fokko Remmers, toenmalig voorzitter van Be Quick’28 én van de afdeling zaterdagvoetbal bij de KNVB, uitgenodigd om de enthousiastelingen te begeleiden. “Wij hadden er de ballen verstand van”, is Stokvis eerlijk. “En de kerkelijke mensen evenmin”, vult Goos aan. “Hij vertelde ons dat er een hoop administratieve en zakelijke rompslomp moest worden geregeld voor het competitievoetbal in Dalfsen daadwerkelijk van start kon. En daar was het ons juist om te doen.”

Het door zichzelf aangestelde bestuur gaat hard aan de slag, de ledenwerving wordt via een artikel in de plaatselijke krant in gang gezet. Het voornemen om gelijk te starten als omnivereniging wordt kracht bijgezet. Jongens trappen tegen een bal, meisjes doen een gympakje aan. De gymnastiektak is in de gelukkige omstandigheid dat het met de zaal aan het Pleijendal een dak boven het hoofd heeft, waarna die oprichting al in 1961 gevierd kan worden. Over de naam van de nieuwbakken vereniging worden twee avonden in kerkgebouw Pniël belegd. De kerk heeft heel wat zwaargewichten in de strijd gegooid en houdt vast aan een christelijke betiteling, waarna de naam Algemene Sportvereniging op Christelijke grondslag wordt aangenomen. Goos: “En daarna moesten de clubkleuren nog bepaald worden. Gekozen werd voor blauw en wit. Kleuren uit het wapen van Dalfsen en neutraal.”

Nu de randvoorwaarden moeizaam maar uiteindelijk harmonieus zijn bepaald, wordt het tijd om een geschikt onderkomen voor de voetbalvereniging te vinden. En dat blijkt al snel een lastige zo niet onhaalbare klus te zijn. “Inmiddels hadden we al wel 42 leden. Niet alleen maar voetballers, maar er waren genoeg spelers om een elftal op de been te brengen”, zag Stokvis genoeg draagkracht om een wens vervulling te gaan.

Een locatie wordt na de nodige inspanning, voornamelijk achter de schermen, gevonden in het land van Knotters in Oosterdalfsen. “De man werd door boeren, burgers en buitenlui voor gek verklaard. ‘Wie laat nou 22 knapen achter zo’n stomme bal aanlopen?’, was de gedachte. Koeien en pinken, die horen in een weiland. Maar wij waren er naar wat blij mij, ik kan het me nog goed herinneren. Totdat de KNVB het veld kwam inspecteren.” Een flinke domper, als de brave borsten uit Zeist in maatpak met meetlat en grondapparatuur een onderzoek uitvoeren. Te drassig en de afmetingen kloppen van geen kant. Het veld wordt meedogenloos afgekeurd, ASC’62 lijkt nog voor de eerste bal geschopt wordt ten dode opgeschreven.

Totdat de speld in de hooiberg een steenworp verderop alsnog wordt gevonden. Daar, aan de Stokte, ligt een lap grond dat er op het eerste oog nog beroerder voor staat dan in Oosterdalfsen. Een vuilnisbelt nota bene, vol met heidepollen en grote gaten. De mannen van de ‘grondtechnische dienst’ komen nu echter al voor ook maar een schop de grond is ingegaan en warempel, in dit veld ziet de landelijke voetbalafvaardiging wel heil. De vrijwilligers van ASC’62 kunnen toch verder. De spade wordt tevoorschijn getoverd, het veld egaal gemaakt en een afrastering komt om het grasland. De doelpalen krijgen een schaafbeurt, de lat wordt er bovenop getimmerd, waarna het eerste hoofdveld van ASC’62 daadwerkelijk aan de buitenwereld gepresenteerd kan worden. “Als eerbetoon mocht Knotters het veld openen”, weet Stokvis. “In zijn zondagse pak opende hij het zaterdagvoetbal, vreugde alom. Jan Mol kwam met een emmer en een stoffer om de lijnen te krijten. Elke zaterdag weer, met ongebluste kalk. De hooiberg van Van de Belt werd gebruikt als kleedkamer, in het schuurtje konden we ons omkleden.”

Hoewel de keurmeesters van de bond hun werk naar behoren hadden gedaan, blijken de afmetingen nog niet altijd optimaal te zijn. Het land zakt hier en daar weg, waardoor het ene doel dertig centimeter ‘hoger’ komt te staan dan de ander. “Een douche ontbrak”, glimlacht Goos, terugdenkend aan de gebrekkige situatie. “Kwam de familie Van de Belt met twee melkbussen water, konden we ons een beetje wassen. Was het water op hadden we gewoon pech, of moesten we naar huis waar de teil tevoorschijn werd gehaald. Gras, iets dat er zelden was, werd gemaaid door Mol. Netten gesponsord, de karakteristieke, leren ballen met veters konden rollen.”

Op het veld blijken de ASC’ers actief in alle linies, maar ook buiten de lijnen zit het vrijwilligerswerk er al vroeg in. Voor 180 gulden tikt voorzitter Koolhaas twee houten keten op de kop uit, die gezamenlijk in Wanneperveen worden opgehaald. Onderkomens die enkele jaren na het ‘Stoktetijdperk’ opgebroken en verplaatst kunnen worden richting het dorp. Als aan de Rondweg een nieuw ‘sportpark’ wordt geopend. Opnieuw een wens vanuit de maatschappij, waar Koolhaas als raadslid de problematiek politiek aan de kaak stelt. Het veld blijkt vele malen beter te zijn dan de vorige mat. Lastig is alleen rivier De Vecht, die bij hoog water over de dijk komt en het hele terrein onder water zet. Met de stap naar de Rondweg en de Bellingeweer wordt ook het niveau opgekrikt, in de regio wordt naar scholing gezocht. De eerste trainer die voor de groep staat luistert naar de naam Rooderkerke.

“Maar wij zeiden altijd trainer”, heeft Stokvis respect. “De beste man zat in ploegendienst bij de NS, hij kreeg per keer betaald. Zeven gulden op een avond, in de hand, meestal op woensdag. We kregen oefeningen in het overspelen en het schieten op doel. Het hielp wel, we gingen er zichtbaar beter door voetballen.” Ook het voetbalgebeuren aan de Bellingeweer, waar historische wedstrijden worden gespeeld, blijkt uiteindelijk geen lang leven beschoren. Opnieuw wordt de boel bijeengepakt en gaat het richting het land van boer Westerhof aan de Polhaarweg.

Centraler in het dorp en voor het eerst echt samenwerkend met sv Dalfsen, de roodgele buurman. “Die moesten weg bij hun terrein bij de diervoeders van Feijen, waarna de politiek besloot om dan maar een sportpark op te richten.” De leden van ASC’62, in aantal inmiddels een stuk meer dan het ‘starttarief’ van 42, nemen de voetbal met karakteristieke veter, de in het vet gezette schoenen en de doelen mee richting het nieuwe onderkomen. Voor ’t eerst krijgt de club op het toen door boerenland omgeven voetbalterrein stromend water. De bal verdwijnt zo nu en dan in een grote mestbult. “Lastig met ingooien”, glimlacht Stokvis. “Moest je eerst de bal afspoelen, of daarna je handen afwassen. Het stonk in ieder geval enorm.”

Als beide heren nu gevraagd wordt naar de wedstrijden van toen dan constateert Stokvis dat het er vijftig jaar geleden totaal anders aan toe ging dan tegenwoordig. “Veel fysieker. Ik weet nog dat we tegen VSCO’61 uit Oosterwolde speelden. Inderdaad, bijna gelijktijdig met ons opgericht. Kwam ik in duel met de keeper, ik gaf hem een flinke beuk, hij veel op zijn schouder. Hij bedacht zich niet, draaide zich om en gaf me toch een rotschop. Niet gezien door de scheids, maar ik voel hem nu nog. Mooie club VSCO’61, moesten we altijd via een plank een sloot over om het veld te bereiken. En de tripjes naar De Krim en Lutten. Soms floot er een scheidsrechter uit Zwolle, die ging dan mee met onze bus, geregeld vanuit Oudleusen. Stonden we voor de wedstrijd als met 1-0 voor. Dat is nu ondenkbaar.”

Ook Goos vindt dat een eventuele vergelijking tussen nu en vroeger volledig mank gaat. “Wij moesten destijds eigen broekjes, sokken en een shirt meenemen. Nu zit alles in een grote tas, met sponsoring erbij.” Spelerspassen, die nu iedere zaterdag door de scheidrechters in de bestuurskamer een voor een worden bekeken, zijn er in de beginjaren al wel. De voetballers worden zelf gekeurd in Zwolle, waar in een potje geplast moet worden. “Een bedrijfsarts van de PTT voerde de controles uit. Tien kniebuigingen, even in een potje piesen, nog een simpele hartcontrole en je was geschikt voor het spelen van voetbal. Toch opmerkelijk”, meent Stokvis. “Op een gegeven moment werd ik afgekeurd voor het spel, maar bleek ik conditioneel en lichamelijk goed genoeg voor militaire dienst. Dat was ook wat, af en toe kon je niet voetballen omdat het leger riep. Verzonnen we een list, zei het bestuur dat ik onmisbaar was. Zo kon ik toch op zaterdag aan de aftrap verschijnen.”

Stokvis voetbalde met name als linkerspits, Goos bewaakte als midmid de balans tussen aanval en verdediging. Hij speelde zevenhonderd wedstrijden voor de club, waarna hij de schoenen aan de wilgen hing. “Dan voetbal je plotseling met teamgenoten die je kinderen konden zijn. Werd er in de kleedkamer besloten welke discotheek die zaterdagavond bezocht ging worden. Toen leek het me beter om te stoppen.” Ook Stokvis zette een punt achter zijn voetbalcarrière en verhuisde naar Nunspeet, waar hij nog jaren in de veteranen voetbalde. Goos staat nu wekelijks langs de lijn, of op Gerner of op het sportpark van de tegenstander. Stokvis volgt de mede door hem opgerichte club voornamelijk via de krant. “Dan kijk ik altijd even bij de statistieken. Laatst had ik nog een verjaardag van familie in Dalfsen. Daar zag ik ook die jongen van Stokvis die nu in het eerste elftal speelt. Heel groot, met een paar lange benen. Hij zou wat potiger moeten worden, dan kan-ie het nog ver schoppen.”

 

Bron: Jubileumboek ASC’62